Een Tijdsbeeld door Leo van Heur

Het Wilhelminaplein 1930-1938.

Onlangs, of toch alweer een paar maanden geleden, heeft een geschiedkundig bureau in Den Haag gevraagd of iedereen, een brief wilde schrijven aan de toekomst. Een brief met als inhoud, de beschrijving van gewone alledaagse dingen, van activiteiten en gebeurtenissen van die bepaalde dag.
Over 50 jaar zouden die brieven dan geopend worden en onze toekomstige generatie wist dan precies, hoe een gewone samenleving er 50 jaar geleden uitzag.
Ik heb nu ook zowat gedaan. Ik heb een verslag gemaakt over belevenissen van mijzelf en over gebeurtenissen zoals ik die op het Wilhelminaplein meemaakte in de tijd toen ik van kleuter kwajongen werd.
Hoe kun je een tijdsbeeld weergeven? Ik dacht door het vermelden van gebeurtenissen en belevenissen die een onderdeel zijn van die tijd. In dit geval strekt het zich uit over een periode van slechts acht jaar. Dat is in de geschiedenis en in het wereldgebeuren, maar een momentopname en, ik realiseer mij, waarschijnlijk van weinig belang. Het is ook niet uniek of specifiek voor dit dorp. Overal zijn er lokaal van deze gebeurtenissen maar samen vormen ze ”De Tijd.”

Het zijn gewoon vermeldingen van feiten en anekdotes maar ook de belevenis van een kind met die feiten en anekdotes. In de kinderleeftijd van 4 tot 12 jaar is dit vaak een periode van onuitwisbare betekenis. Op een merkwaardige manier kan ik mij deze levensperiode heel goed voor de geest halen. Mijn bronnen zijn echter grotendeels de herinnering.

Geert Mak laat in zijn boek: ”De eeuw van mijn vader”, Klaus Mann in ”Het Keerpunt” over herinneringen het volgende zeggen: Ik citeer ...
”Herinneringen zijn gemaakt van wonderlijk materiaal, bedrieglijk en toch dwingend, machtig en vaag. Men kan geen staat maken op zijn herinneringen en toch bestaat er geen andere werkelijkheid dan degene, die we in ons geheugen dragen. Elk ogenblik dat wij beleven dankt zijn zin aan het voorafgaande. Tegenwoordige tijd en toekomst zouden zinloos worden, als de sporen van het verleden uit ons bewustzijn gewist waren. Tussen ons en het niets staat ons herinneringsvermogen, een problematisch en breekbaar bolwerk.” ... einde citaat.









Enkele onderwerpen die in het ”Tijdsbeeld” ter sprake komen.

De waterput
Huizenbouw
Het graven van het Julianakanaal
Burgeroorlog in Spanje
Smokkelen van boter, suiker en tabak uit België
Klokkenluiden in de kerk
Met boerenkar naar het veld
Misdienaar zijn
De plaatsen in de kerk
Onderwijssituatie
Onderwijzers
Vroedvrouw
Kapelaans en pastoor
Op jacht gaan
Stroop stoken
Sacramentsprocessie
De Gats
De gemeentebode
De schoenmaker
Het leed van familie Houben
De gemeentelijke gevangenis
Ons nieuwe huis.








1a
Het Wilhelminaplein met centraal zijn waterput. In ons huis was ”jammer genoeg,” waterleiding. De buren links en rechts kwamen met emmers en teilen, soms op een platte kruiwagen, water halen bij de put en maakten dan een praatje. Wij hoefden dat niet, maar mochten toekijken en mochten soms voor een vriendelijke buur, de volle emmer naar boven draaien.
We waren in 1930 op het Wilhelminaplein komen wonen. Vader was beheerder van een postkantoor. Hij veranderde van standplaats en verruilde ”de Peel” voor ”de Nieuwe Mijnstreek”. Hij kon kiezen tussen een plaats in de buurt van Oss, een plaats bij Heerlen of Stein. Het werd Stein omdat het huis genoeg slaapplaatsen had. Er waren negen kinderen. Ik was op een na de jongste.
Toen we er aankwamen en uit de laadbak van de heel erg grote verhuisauto van de fa. Daniels uit Deurne, sprongen, zei een van de toekijkende toekomstige buren: ”Het lijkt wel een varkenskot, er komt maar geen eind aan.”
Ons huis bestond eigenlijk uit twee huizen. Een met het brede voorfront naar de straat, en een, iets kleiner, daarachter, met het front naar het erf en een ingang op het erf. Het was eigendom van de rentmeester van het kasteel. Aan hem moest iedere maand de huur betaald worden.
Het was niet makkelijk de eerste tijd. Weg van vrienden en kennissen, verder weg van familie. Veel vreemde mensen om je heen. Mensen die, zo leek het, vaak een andere taal spraken. ”Wesschen” was wassen , een ”maalplak” een zakdoek, een ”forschet” een vork en een ”facteur” de postbode. Een zuster op de meisjesschool vroeg aan een van mijn zusjes: ”Welke taal spreken jullie thuis eigenlijk?” Er was geen vervolgonderwijs in het dorp. Mijn zusjes gingen hiervoor op kostschool of naar de Ursulinen in Sittard en wij jongens gingen naar het Bisschoppelijk College.
Mijn oudste broer had al eindexamen gedaan voordat ik op de 1e klas kon beginnen. Het voordeel was: ik kreeg zijn schooltas, zijn groene collegepet, maar ook zijn fiets.



Bij Elsloo moest het kanaal dwars door de heuvelrug worden gegraven. Daar kreeg men problemen met een enorme laag drijfzand.
Op de achtergrond Elsloo dat gedeeltelijk voor het kanaal werd afgebroken.
2
Iets wat van erg grote betekenis was in onze jeugd, dat was het graven van het Julianakanaal. We wisten wel dat dat komen zou. Er werd vaker over gesproken, maar toen het ineens zover was. Klasse!
Een grote gebeurtenis was ook het moment toen mijn oudste broer op een dag toen we aan tafel zaten, hijgend kwam binnen stormen met de mededeling: ”Er loopt een trein door het brook.” Het eten duurde te lang om te kunnen gaan kijken.
Achter onze tuin, iets verder naar beneden was een moeras gebiedje: ”Het Brook”. Door de met roestige prikkeldraad afgebakende weilandjes, meanderde de Ur. We gingen er vaak met een polsstok slootje springen. En daar door heen kwam nu ineens een spoorlijntje waarop een locomotief kiepwagentjes vol klei trok. Je kon de trein zelfs binnen horen fluiten. De klei werd in de Scharberg bij Elsloo afgegraven en er werd achter onze tuin een dijk van gemaakt. Er kwamen houten keten waar werkmannen (polderwerkers) in sliepen. Sommige polderwerkers sloten vriendschap en gingen later met een Steinse in het dorp wonen. Er kwam een werkplaats waar veel materiaal lag en altijd mannen waren. We gingen er vaak kijken. Mijn zusjes mochten er van moeder niet komen.
We zochten in de klei naar haaientanden en pochten daarmee op school wie de meeste en de grootste had. De dijk werd hoger en hoger en werd aan de binnenkant bekleed met bazaltstenen. We liepen over de grijze kleibodem en vertelden elkaar dat dat nooit meer zou kunnen straks. Op een zondag gingen we naar Elsloo bij de brug kijken want tot daar stond het water al.
De Ur werd met een duiker onder het kanaal door geleid. Het bleef langs de dijk altijd vochtig, zelfs nat, van het kwelwater Dit stroomde via een overloop weer in de Ur. De overloop was glibberig van het wier hetgeen ons wel vaker een natte broek opleverde.
Later toen het kanaal zo goed als klaar was en er al schepen voorbij kwamen zat ik vaak aan de haven op een ducdalf en ik fantaseerde en droomde dat ik meemocht tot in Rotterdam en nog verder.


Voor de aanleg van het Julianakanaal moest ter hoogte van Elsloo een stuk van de Scharberg worden afgegraven. Hiertoe werd een provisorisch spoorlijntje aangelegd om de afgegraven grond te vervoeren naar elders.
Op de plek van het spoorlijntje ligt nu het Julianakanaal.

3
Vader had zelf een radio gebouwd. Hij stond in de keuken op een plank naast de schoorsteen. In de tuin stond een meters hoge paal die met tuien aan het huis en aan paaltjes in de grond vastzat. De groenbruine koperdraad, die er met isolatoren aan was vastgemaakt, kwam door een gat in het raamkozijn naar binnen en was de antenne. Er zat een handel aan het kozijn die, als het onweerde, naar beneden moest. Vader en moeder luisterden vaak naar de nieuwsberichten.
Een belevenis was dat Parmentier met de ”Uiver” een vliegtuig wedstrijd naar Melbourne won. Door het afwisselend harder en zachter worden van het geluid hoorde je dat hij in grote bochten naar beneden kwam.
Er ook was oorlog in Spanje en daar gebeurden verschrikkelijke dingen. Alleen Frankrijk en België zat er nog tussen en dan kwam al Nederland. Op school moesten we bidden voor de martelaren. Ook op de Duitse zender vertelde een schreeuwerige mijnheer wat er gebeuren moest of wat er komen zou. Als er hier maar geen oorlog van komt. Vader en moeder vertelden over de oorlog van 1914-1918 toen vader onder dienst was en over de Spaanse griep waaraan familieleden, die we toch niet kenden, overleden waren.
’Avonds kwam, achter door onze tuin, ”Sjèle Geel” met een kameraad, wel eens, Belgische boter brengen. Die zat verpakt in een kartonnen doos met er rond omheen een oranje band. Soms was er ook suiker bij. Meestal was er een spannend verhaal, hoe ze met groot gevaar in een roeibootje de Maas waren over gestoken en hoe ze met veel slimmigheidjes aan de commiezen waren ontkomen. We luisterden met grote oren. Hoe spannender het verhaal hoe duurder de boter.
Achteraf begreep ik niet, dat vader goed vond dat we smokkelwaar kochten. Bij boter en suiker bleef het ook. Roken deed vader weinig. Door de week in de tuin en ook soms in huis, een pijp, maar ’s zondags rookte hij een sigaar. Alleen de lucht al gaf iets feestelijks.

Ik wil nu een wandeling maken over het Wilhelminaplein en de mensen die er woonden de revue laten passeren. Hun manier van leven en hun handelwijzen waren een afspiegeling van die tijd. Er zijn details bij. Met bijna alle bewoners van het plein was er in de periode dat we er woonden, wel een belevenis of een anekdote geweest. Ik kan daar geloof ik nu over praten zonder hun privacy te schaden. Het is ongeveer 60 tot 65 jaar geleden en het overgrote deel van hen is overleden.
Links van ons woonden oudere mensen, die we ”Papa en de Mooder” mochten noemen. Vader en moeder waren in onze taal Pa en Ma. Op een ongetrouwde dochter Trina na, waren bij de buren alle kinderen de deur uit. De achterdeur van hun huis kwam op ons erf uit, zodoende hadden we nogal veel contact met elkaar. De papa was de koster van de kerk hetgeen voor ons toch wel onverwachte voordeeltjes opleverde. We mochten mee als hij s middags om twaalf uur ging trumpen.


4
Op het oksaal, achter in de kerk, kwamen diverse touwen met dikke knopen uit het plafond naar beneden. Trumpen was: met de kleine klok eerst drie keer drie enkele slagen, en daarna met een grotere klok stevig laten horen dat je er was. Als je je bij de grotere klokken aan het touw bleef vasthouden, ging je mee naar boven en dat mocht, als je maar niet met de schoenen aan de muur kwam. We mochten ook wel eens mee naar de zolder van de kerk. Het was er donker. Over de hele lengte van de kerk liep een houten loopbrug over de ogieven (de bulten en kuilen). In de houten dakkapellen zaten kieren en gaten. Er kwam daglicht door. Net als bij de galmgaten van de toren zaten ook hier veel vogels. Het meest griezelig waren de hangende vleermuizen. We vingen er een uit die we thuis in een duivenkooi in de kelder zetten maar die na een paar dagen op een geheimzinnige manier verdwenen was.
De Papa was ook kleine boer. Hij had een paard en een koe. Mee naar het veld gaan was voor ons een feest. Met kar en paard moest er in het veld klaver gehaald worden. We, meestal mijn broer en ik, hoefden dan niet te lopen en zaten op de heen en terugreis in en op de kar. We namen brood mee. Zittend op een graspol, buiten eten, met koffie uit een blauwe geblutste kan, was iets wat thuis niet kon. Heerlijk ! De mooder vertelde dan mopjes over pastoors die, als de bisschop op bezoek was, gingen stotteren of de beginletters van woorden verwisselden: tinnen lepels werd dan linnen tepels. Haar zus, tant Nelke, was de huishoudster van mijnheer pastoor, dus zij kon het weten.
Later toen de Papa overleden was, werd hun zoon Tjeu koster. De Mooder was toen echt de Mooder van de koster.

Het kostershuis op de Berg in de jaren 20 van de vorige eeuw.
Rechts staat Maria Janssen, de vrouw van de koster.
De oudere vrouw links is Maria Claassen.
Een gebeurtenis zit vast in mijn geheugen. Het was een feestdag. Bij een plechtige mis met drie heren moest ik bij de handwassing het pateel naar de priester dragen. Je mocht een pateel niet vasthouden maar moest dat op de toppen van je vingers laten rusten. Je mocht op het altaar ook niet snel lopen maar moest meer plechtig schrijden. De kapelaan van Eyseren had kennelijk haast want hij gaf me, bijna onzichtbaar voor iedereen, een flinke por in mijn rug. Het gevolg was dat het pateel viel en erg lawaaierig de marmeren trappen van het altaar afdenderde. Ik, rooier dan mijn toogje, er achteraan. Ik hoorde geroezemoes in de kerk en ik voelde me verschrikkelijk opgelaten. De pastoor zei niets, wachtte op mij en ging gewoon door met de handwassing






5
Na afloop van de mis in de sacristie, zei Tjeu hardop waar iedereen bij was, dat hij wel gezien had, dat de kapelaan mij die por gaf. De pastoor stuurde ons de sacristie uit, maar na de woorden van de koster vond ik het al niet meer zo heel erg. Thuis kreeg ik eerst de wind van voren en ik kon vader en moeder maar moeilijk overtuigen dat ik er niets aan doen kon. Kapelaan van Eyseren was in tegenstelling tot zijn voorganger kapelaan De Winter, niet onze vriend. Hij was nogal kritisch. Een enkele keer was hij toch wel aardig. Hij had zijn jongere zus als huishoudster. Achter de kapelanij was een kleine tuin en een grote wei. In die wei liepen schapen. We werden door de huishoudster uitgenodigd om er te komen spelen. In het bijzijn van de kapelaan werden we gevraagd op een schaap te gaan zitten. Dat duurde natuurlijk maar enkele minuten. Hij kon onbedaarlijk lachen als we er afvielen en werden dan door de huishoudster getroost.
Kapelaan de Winter was onze favoriet. Hij kwam vaak bij ons thuis een praatje maken en soms ook zijn brevier bidden. Hij liep dan met een gebedenboek in zijn handen in de voorkamer rond de tafel. Het was een gewoon gezegde van moeder: ”Niet naar de voorkamer de kapelaan is er.” Hij had mijn broer en mij ook aangenomen als misdienaar.

Naast de koster woonde de ”Wiesvrouw”, zo werd de vroedvrouw in het dorp genoemd. Er was er maar een. Zij bracht de kindjes rond. Zij was getrouwd met meester Janssen van de tweede klas. Ze hadden kinderen in onze leeftijd zodat we er vaak gingen spelen. De wiesvrouw was later een vriendin van moeder. Ze vertelden elkaar alles, nou ja alles ? In ieder geval te veel. Toen ik een keer achter de kerk in de beek gegleden was, zat ik onder de kroos en modder. Ik kon me niet meer vertonen. Sjeng hun zoon nodigde me uit om door hun tuin mee te gaan naar zijn moeder. Ik kreeg van haar andere kleren. Zij spoelde mijn kleren uit en ik mocht bij hen eten en wachten tot mijn kleren een beetje droog waren. Toen ik daarna thuis kwam en dacht dat ik niets hoefde te vertellen bleek moeder alles al te weten. Volgens mijn moeder had ik wel eens gevraagd waar die kindjes dan waren. Er stonden daar nergens dozen of kisten waar ze in konden zitten.



In het dagelijks leven was men tevreden met een wit of zwart rond mutske, een eenvoudig gestreepte plak over het liefke en een katenate (katoenen) sjolk en droeg men baa-klompen (klompen met hoge wreef).
Zo haalde Elisabeth Janssen-Gelissen omstreeks 1920 haar tob (emmer) aan de put op het Wilhelminaplein.
's Zondags droeg ze birken fletskes (klompen zonder wreef, met leren riem), zwart gewikst.
”Boerinneke, wò kumste vandaan ?”
”Ich kom van dè kant van de Maas aaf, Ich kom van Stein, met gespen aan de bein.”

6
Pjèr Janssen, de meester, was weer een broer van de Mooder van de Koster. In tegenstelling tot de Mooder was hij een beetje afstandelijk maar wel een echte onderwijzer die helemaal opging in zijn vak. Ik was zijn vriendje niet. Naast zijn onderwijzerschap had hij vele hobbys.
Biljarten. In café van Mulken (Door van Meyerke) in de Boomgaardstraat, was hij vaste klant. (Zijn jongste dochter trouwde later met de zoon van de caféhouder). Hij had een soort officiersstokje dat hem erg dierbaar was. Hij vertelde dat het was ingesmeerd met muggenvet. Vaak deed hij daarmee meesterlijke stoten voor. Het leek, of hij in gedachten, de punten telde die hij had gescoord.
Musicus. Hij was een fervent musicus. Jonge kandidaat musici voor de fanfare werden door hem opgeleid. Zijn zoon Tjeu was een goede saxofonist. Thuis in de tuin hoorde je ze oefenen.
Jager. Op zaterdagmiddag ging hij op jacht. Hij was dan in volledig jagerstenue compleet met hoed met veer. We mochten vaker mee. We liepen door de voren en de afscheidingen van de akkers en de velden. We moesten de hazen of konijnen, maar meestal patrijzen, opjagen zodat hij ze kon schieten. Zijn lichtbruine jachthond Diana, ging ze dan ophalen. De buit werd triomfantelijk aan zijn broekriem opgehangen. De hond, was niet normaal. Onder luid geblaf tolde hij op straat in een kringetje rond en probeerde in zijn eigen staart te bijten. Een enkele keer kregen we thuis wel eens een konijn of een haas van de meester. Soms ook organiseerde hij met vader en moeder samen een ”wildetentje”. Als we hem op zaterdag hadden meegeholpen wist hij daar op maandag niets meer van. In tegendeel zelfs. Misschien dacht ik dat ook maar, en kreeg ik in mijn ogen niet dat tikkeltje extra aandacht dat ik verwachtte.
Hij had de gewoonte om, als iets goed of slecht was, zijn bewondering of afkeuring te benadrukken met: ”t Is toch sterk!! t is toch sterk!” Toen ik dat een keer te luidruchtig beaamde en hoorbaar nadeed, moest ik voor de klas komen en nogal hardhandig over een knie. Met zijn wonderstokje heeft hij toen mijn broek bewerkt. In de panieksituatie zag ik gelegenheid in zijn knie te bijten. Dat had ik beter niet kunnen doen. Via het hoofd der school, moest ik naar huis, hetgeen me thuis nog een keer straf opleverde.
Een andere keer was mijn buurjongen Hub de klos. Wat er misgegaan was weet ik niet meer. De meester sloeg naar hem. Hub week zo handig uit dat het stokje niet hem maar de hoek van mijn lessenaar raakte. Het zal wel aan de ouderdom van mijn bank gelegen hebben maar tot schrik en ontzetting van de hele klas brak de hoek van mijn lessenaar.


7
Er waren ook veel mooie dingen en prettige situaties.
Een keer had hij als voorbeeld een letter A op het bord geschreven. Hij vond hem zelf zo mooi dat hij nooit mocht worden uitgeveegd. Heel het dorp zou er naar moeten komen kijken.
Soms mocht ik onder schooltijd wel eens een boodschap doen. D.w.z. ik mocht naar het postkantoor postzegels kopen bij mijn vader. Dat was fijn want dan was je onder schooltijd weer even thuis terwijl de andere kinderen in de klas zaten. Wat ook fijn was, ik hield er vaker nog n paar cent soms zelfs een stuiver aan over.
Hiervoor kocht ik dan bij ”Jenneketrien”, een snoepwinkeltje bij school, karamels of ander snoep. Het gevolg was dat ik dan via een omweg, de Kruisstraat, naar huis liep. Er was dan meer tijd om de snoep op te krijgen, anders liep je het risico thuis de snoep met anderen te moeten delen.
Dat zelfstandig en egoïstisch optreden moest ik in een ander geval toch met een minder prettige ervaring betalen. Ik moest voor vader een boodschap doen bij Harie Aarts, de gemeente secretaris. Kennelijk was het nogal belangrijk want ik kreeg voor vader twee sigaren. Ik de boodschap doen en vader de sigaren?. Ik dacht een is wel genoeg. De ander probeerde ik op mijn kamer en werd er doodziek van. Ik geloof niet dat moeder het ooit aan vader verteld heeft.
Ik had een zelf gemaakte zeepkist. De wielen van de kinderwagen (hij was toch niet meer nodig) waren daar prima voor. Ik nam een keer op het plein de bocht rond de waterput te krap en kon ik meester Janssen die net achter de put vandaan kwam, niet meer ontwijken. Het was een grote consternatie. Hij ging toen ook op jacht meen ik. Er viel van alles op de grond. De reactie was niet erg vriendelijk. Hij vond dat ik dat wel beter kon dan sommen maken. Op het schoolrapport dat ik nog altijd zorgvuldig bewaar, heb ik het voor vlijt en gedrag bij hem nooit verder dan een vijf kunnen brengen.
Naast de meester en de Wiesvrouw woonde Harie Vossen die Harie de Vos werd genoemd. Hij was getrouwd met Mina. Ze hadden geen kinderen. Harie was een kleine nogal gezette man met een blozend gezicht. Hij had een piepstem, liep meestal op klompen en droeg altijd een hoed. Mina sprak een ondefinieerbaar accent. Ze hield geloof ik niet van kinderen. We hadden weinig contact met haar. Met Harie wel. Hij had een cafe dat alleen s avonds en in het weekend open was. We zagen er nooit klanten






8
Het erf werd aan de achterkant afgesloten met een grote schuur. Hier exploiteerde hij een stroopstokerij. Er lagen bergen appels en peren. Boven een rond gemetseld gat, waarin het vuur brandde, hing een enorme koperen ketel. De ketel hing aan een dikke draaibare houten arm. Wij mochten het fruit in de ketel scheppen met een schep die je bijna niet opgetild kreeg. Het fruit werd niet geschild. Je hoefde ook niet te kijken of er misschien een rotte peer of appel tussen zat. Het ging allemaal met grote scheppen de ketel in. Als de ketel vol was moesten we de schuur uit. Het vuur werd dan opgepookt en de ketel werd boven het vuur gedraaid. De verdere bewerking mochten we niet meemaken. Na verloop van tijd werden de emmers met stroop gevuld en ook daar wou hij ons niet bij hebben. Je kon geloof ik alleen maar kiezen tussen een emmer appel- of perenstroop.
Achter onze tuin was een stukje niemandsland. ”De Gats” noemden we dat. Het was links begrensd door een doornenheg met daarachter een schuin aflopend weiland. Aan de achterkant door een schuin naar boven lopend kerkpad. Aan de rechterkant door een hoge taxusheg van de tuin van mijnheer pastoor. En de vierde begrenzing was de heg van onze tuin die dik rond begroeid was met hop. Het was een onherbergzaam gebiedje vol met gaten en kuilen. Er liep een paadje door dat toegang gaf tot onze tuin, de tuin van de mooder, de tuin van de meester en de tuin van Harie de Vos. Er stonden veel vlierstruiken, die we ”Euleteul” noemden, en veel acaciabomen. Van de acacia ritsten we de blaadjes af, dat moest soms als ze nodig waren als strooisel bij de sacramentsprocessie. Er werd ook wel eens afval gestort, dan vond je schatten zoals lege parfumflesjes met glazen doppen die nog lekker roken of zelfs ooit een Frans kerkboek dat ik nog heel lang bewaarde. In de gats kwamen bijna nooit grote mensen. In de holletjes die we onder de euleteul maakten speelden we alle denkbare spelletjes. We zouden er wel willen blijven slapen en deden alsof. Als het regende bleven we er onder schuilen. Bij een stortbui gutste het water onder ons door maar we werden niet nat. Je wist precies tot welke tak je moest klimmen om in de tuin van mijnheer pastoor te kunnen kijken.
We waren wel eens ondeugend, tenminste dat beseften we achteraf. We hadden een diepe kuil gegraven wel een meter diep. We konden er wel wilde beesten in vangen. Mensen ook. Harie de Vos! De kuil bedekten we met takken met veel bladeren en daaroverheen de uitgegraven grond.


9
Hoe krijgen we hem nu hier? Van achter zijn tuinpoortje gooiden we stenen tegen de achterdeur van de schuur. We lieten ons zien en ook weer niet in de hoop dat hij achter ons aan zou komen. En dat deed-tie!
Zelfs met een riek in zijn hand. Onder het roepen van niet zon mooie woorden kwam hij achter ons aan. De bedoeling was natuurlijk de kuil. Maar in de angst dat hij ons te pakken zou krijgen keek ik niet goed uit en trapte op de rand van een takkenbos. Het geheel stortte in voordat hij er bij was. Vanaf het kerkpad konden we zien dat hij bij de kuil bleef staan. Wat moet hij toen gedacht hebben? We hebben ons die dag maar niet meer laten zien, maar de dag erna mochten we hem gewoon weer helpen. Vader had trouwens net een stuk weiland van hem gekocht waarop ons nieuwe huis gebouwd zou worden.

Naast het café van Harie de Vos lag iets terug op de toegangsweg naar de kerk, de pastorie. Pastoor Rongen woonde er samen met ”tant Nelke” zijn huishoudster. Het was een mooi huis met aan de zuidkant een grote serre van glas. Dit was zijn bibliotheek en soms ook zijn eetkamer. Hij bewaarde er ook in stalen kasten zijn kostbare postzegelverzameling. In hangmappen zaten witte vellen met in een hoek een postzegel. Het waren alleen maar afbeeldingen (koppen). Op het witte vel had hij bij geschreven wie die persoon was en wat hij gepresteerd had om op die postzegel terecht te komen.
Hij was ook imker. Achter in de tuin had hij tegen de heg van de Gats bijenkorven staan. Als hij er mee bezig was leek hij niet meer op een pastoor. Met zijn rookkap en zijn gekke kleren, n soort overall, leek het geen pastoor meer. We klommen stilletjes in een boom om hem te zien en durfden geen geluid te maken omdat we niet wisten of hij het goed zou vinden als we hem in dit tenue zagen. Je kon het gezoem goed horen en we pochten tegen elkaar wie, als hij weg was, honing zou durven pikken.
Bij een plechtige H.Mis, een trouwpartij of een jubileum, zat het feestelijk paar op een bidstoel op het koor voor het altaar. Er stond dan een tafeltje met een schaal waarop een gift verwacht werd. We probeerden dan onder het voorbij lopen te tellen wat het feest had opgebracht en we beoordeelden de rijkdom van het paar al naar gelang de gift. De koster had ons verteld dat niet alleen hij maar ook wij hiervan een aandeel kregen. Eens in het jaar, rond kerstmis, kregen we ons ”salaris”.



De eerste plechtige mis van de karmeliet pater Amandus Smackers had plaats in de parochiekerk van Stein op 15 augustus 1934.
Na de plechtigheid keerde de stoet naar huis terug. Men ziet die hier bij de oude put op het Wilhelmnaplein.
Voorafgegaan door enkele fraters van het missiehuis, volgt hier de neomist tussen pastoor Rongen (links) en kapelaan Van Eijseren (rechts), verder gevolgd door een paar ordebroeders van de nieuw gewijde en zijn familie.
10
Het bedrag was altijd rond de vijf gulden voor alle vier de misdienaars. Het meest frappante was dat het altijd tot op 2,5 cent was uitgerekend. Op 28 december was het feest van ”Onnozele Kinderen”. We gingen dan in groepen, voorzien van tassen en papieren zakken van winkel naar winkel. Er waren ook andere adressen bij waar iemand van wist, dat die het vorig jaar succesvol waren geweest. We zongen dan ons bedellied dat altijd eindigde met ”Hieroet! Hieroet!”. De pastorie was ook zon adres. Tant Nelke gooide dan uit een bovenraam, appels en 2,5 cent stukken. Het geld vonden we belangrijker dan het fruit dat we toch ook overal kregen. We doken dan over elkaar over de grond. Ik dacht, maar ik heb het niet gezien, dat de pastoor, achter een gordijn, van onze capriolen stond te genieten. Als ons zingen ergens geen of niet gauw genoeg, resultaat opleverde riepen we : ”Pratelschiet ! Pratelschiet !”, hetgeen zoiets als gierigaard betekende en die naam wilde niemand graag opgeplakt krijgen.
Op de stoep van de pastorie, op de trappen bij de voordeur, zaten ’s middags vaak bedelaars en zigeuners zich te goed te doen aan het middageten dat tant Nelke voor hen had klaar gemaakt Het waren er te veel om alleen maar restjes te komen eten.

Naast de kerk liep een weg steil naar beneden. Rechts was een ijzeren poort die toegang gaf tot een groot erf. Er woonden wel vijf of zes gezinnen in huizen die dat erf afsloten. De voornaamste familie was familie Gelissen. De heer Gelissen was een dominerende persoonlijkheid. Alle huizen op het erf waren van hem. Zijn vrouw was een kleine dikkerd, je zag haar bijna nooit. Hun enige zoon Chris was iets ouder, maar je kon er toch leuk mee spelen.

Dan weer naar boven lag, dwars op de weg, het café van ”Gym de Brak”. Ik meen dat hij Janssen heette. Hij woonde er op zijn eentje vlak bij de kerk maar deed aan God noch gebod. Hij was zelfs vaak dronken. Een keer per jaar was hij erg actief. Dat was met kermis als de sacraments processie rond trok. Hij was dan heel erg vroeg met het versieren van de straat en het opzetten van een ereboog. Op straat werden in gekleurde zeshoekige betonnen blokken gekleurde paaltjes gezet. Er tussen in, hingen wit gele vlaggetjes. Midden op straat werd een prachtige loper gemaakt.


10a
Van gekleurd zand werden in het witte middenpad afbeeldingen van lammetjes, kelken en heiligen gemaakt. Het pad werd afgebiesd met bloemen en acacia blaadjes die we samen met vriendjes op zaterdagmiddag hadden geplukt en afgeritst. Bij een rustaltaar was alles nog mooier en uitgebreider. Als de processie voorbij was mocht je er pas gewoon over lopen.
Gym moest ook de kamerschoten, die wij natuurlijk kanonschoten noemden, afvuren als het Allerheiligste voorbij kwam. We waren dan nauwelijks uit de kerk en dan schrok je je het laplazerus. De kanonkogels waren kleine met kruit gevulde ijzeren potjes die langs de weg waren gezet. Hij stak ze aan met een lange staaf waarvan de punt gloeiend gemaakt was. Na de processie had je vaak blaren tussen je vingers van het zwaaien met het wierookvat.
Waar de naam ”De Brak” vandaan kwam heb ik nooit geweten.

Aan de overkant van de straat woonde ”Frans de Bekker op de trepkes”. Het huis lag iets hoger en je moest met trappen de winkel binnen. Het brood werd ’s morgens heel erg vroeg gebakken. Ik meen, dat de oven nog met takkenbossen (schansen) werd gestookt. De kieren van het deurtje werden met deegslierten dichtgekit. Als die gaar waren was de oven heet genoeg. Ik ben er nooit bijgeweest, het was veel te vroeg. Frans was een nogal teruggetrokken persoon. Hij zat in het bestuur van de fanfare. Hij liep altijd in een chique pak mee voorop als de fanfare rond trok. Hij had een erg vriendelijke knecht die Paul heette en het brood rond bracht. Van hem kregen we vaak een koekje.


11
Daarnaast, weer in de richting van ons huis, was een winkel in textiel waar we nooit kwamen. Dan kwam een klein kruidenierswinkeltje van ”Marieke van Bertje”. Marieke was de dochter en Bertje waarschijnlijk de vader maar die was er niet meer. Achter de kerk, erg diep naar beneden, naast het kerkhof, had de mooder van de koster van hen een weiland gepacht. Er liepen schapen in met houten driehoeken om hun nek. Ze konden dan niet uitbreken. In de heg zaten hier er daar gaten. Aan de noordkant van de wei was een hoge betonnen muur met drainering gaten die het kerkhof afsloot. We maakten ons wijs dat die drainering gaten iets met de lijken te maken hadden. Marieke van Bertje, ze heette Driessen, kwam vaak op ons passen als we in de wei speelden. Ze zat meestal te breien. We mochten veel van haar. Er was geen enkele fruitboom die nog geheimen voor ons had. We wisten alle vogelnestjes en hoeveel eitjes en jonkies er in zaten. Achter een heg beneden langs een modderig paadje, was een bronnetje waar uit de zanderige bodem, glashelder water borrelde. Het was zo helder dat we er gewoon uit dronken. Het had dus toch niets met het kerkhof te maken, want we werden er nooit ziek van.
Naast het huis van Marieke van Bertje lag eerst een boerderij. Ze werd afgebroken en de resten bleven een tijdlang als bouwruïne staan. De kelder met het gewelfde dak was lang ons speelterrein. De eigenaar van het geheel was het ”Smeedje”. Hij was rijk en vroom. We wisten van zijn bestaan af maar meer niet. Hij liet op de grond van de ruïne, twee grote kapelanijen bouwen. Hij was al overleden voordat ze klaar waren. Ook schonk hij twee erg grote luchters aan de kerk. Ze stonden links en rechts van het altaar. De kaarsen waren moeilijk aan te steken ook al omdat het weekje van de aanmaakstok altijd scheef ging. Als de koster er ons mee bezig zag, nam hij vaak het aansteken van de luchters over.
Dan kwam weer achter een grote poort die altijd open stond, een dubbel huis met weer de smalle kant naar de straat. Voor aan woonde Sjang Knoren met zijn vrouw. Ze hadden geen kinderen maar later wel een aangenomen kind Lies. Eigenlijk heette ze Lies Geurts maar ze werd altijd Lies van de Knoor genoemd. Ze deed wel eens mee spelen als het hele plein meedeed. Meestal was dat ”Poeversteike”. (verstoppertje). Sjang was gemeentebode. Hij kwam altijd bij vader de post van de gemeente afhalen.


12
Als er in de gemeente iets bijzonders was, was het zijn taak dit bekend te maken. Hij kwam met de fiets aan zijn ene hand en een scheepsbel in de andere midden op het plein staan, belde een paar keer, en, als er, naar zijn mening, genoeg mensen aan de deur stonden, deed hij zijn mededeling. Meestal was er bij een slager een noodslachting geweest en kon je er goedkoop vlees kopen.

Achter het huis van Knoren langs hetzelfde dorpelpad woonde ”Neer de Sjoester”. De schoenmaker met zijn zoon. Ze zaten naast elkaar voor het raam, met ieder een ijzeren schoenpoot voor zich waarop de te repareren schoen geschoven was. Tussen hen in stond een draaibaar tafeltje met mooi in een ring, taps toelopende bakjes vol met alle soorten spijkertjes. Op de grond lagen altijd afgesneden reepjes leer. Langs de muur bij de deur, stond een soort draaibank met allerlei poets- en schuurschijven. Poetsen ging heel gemakkelijk, je hoefde de schoen alleen maar tegen de draaiende borstel te houden. We mochten er van de oude schoenmaker nooit aankomen Als er haast bij was (de schoenen van mijn moeder) kon je op de reparatie blijven wachten. Aan de overkant van het erf, was, langs de andere dorpel de schoenwinkel waar ze o.a. de Erdal schoenpoets en Robinsonschoenen verkochten. We kochten daar onze schoenen omdat we er altijd wat extras bij kregen. Soms een kartonnen bouwplaat of een platenboek over Robinson.

Naast het huis van Knoren en de Schoenmaker kwam de grote boerderij van boer Houben. Ze werden ”die van de boer” genoemd. Het woonhuis gedeelte was met cement bekleed. Achter de poort op het erf waren de schuren en de stallen. Aan de nagelaten sporen op straat kon je zien of de koeien op stal waren gekomen. Het gezin bestond uit de boerin en de boer, ”het paatje”, een zus van de boerin een wat oudere vrouw die erg gebogen liep en met haar hoofd schuin naar boven keek. De oudste dochter Netta, een dochter Lies, de zonen Louis en Chris en een dochter Mia. Zoon Louis was een bekende figuur in het dorp Hij zat in het bestuur van diverse verenigingen, Op een bepaald moment werd hij ziek, erg ziek. We gingen negen avonden met praktisch het hele plein voor hem bidden bij ”Maria in Nood” een kapel bij het missiehuis. Het mocht niet baten en hij overleed enkele dagen later. Bij de begrafenis moest ik achter de lijkwagen lopen met op een fluwelen kussen een onderscheiding.



Het Wilhelminaplein dat ook wel ”Op de Berg” werd genoemd, straalt een serene rust uit.
13
Tijdens de ziekte was Louis erg onrustig geweest. Hij had daarbij zijn schoonbroer, de man van Netta, Lambert Moonen, gekrabd. Ook hij kreeg bloedvergiftiging en overleed ongeveer een week na Louis. Het was iets waar in het dorp lang over gesproken werd.

Als misdienaar werden we vaker met ziek zijn geconfronteerd. Oude zieke mensen kregen thuis de laatste sacramenten toegediend. Als de koster er niet was kwam tant Nelke zeggen dat we om zo en zo laat in de sacristie moesten zijn. De kapelaan of de pastoor, waarschijnlijk wie aan de beurt was, trok dan zijn superplie aan en als misdienaar ging je ook in vol ornaat mee, met in de ene hand de lantaarn met brandende kaars en in de andere hand, de misbel. Om de paar minuten moest je bellen. De mensen langs de weg gingen knielen en de fietsers stapten af Om eerlijk te zijn belde je wel eens overdreven hard als je iemand tegen kwam die je kende, en dan kijken of-t-ie wel van zijn fiets ging.
De zieke man of vrouw kreeg de H. Communie en meestal het H. Oliesel. Je stond er bij en moest de priester het een of ander aangeven. Er stond altijd wel een kruisbeeld met een brandende kaars. En er hing een angstige gespannen sfeer. Je worstelde met de gedachte dat de zieke nu wel gauw dood zou zijn. Terug naar de kerk liepen we weer in burger met de extra kleren over de arm. Op weg van de kerk naar huis stonden mensen op je te wachten om te vragen bij wie je was geweest. Ze wilden dan gewoon weten wie er bediend was.
Als de zieke dan overleden was, moest je als misdienaar tijdens de begrafenismis, voor aan de communiebank bidprentjes uitdelen. Meestal was de mis wel vroeg, half negen of negen uur, maar je kwam toch altijd te laat op school. De meester vond het niet erg als je maar een bidprentje voor hem meebracht. Later wilde het hoofd der school er ook een hebben en daar zorgden we dan wel voor.
Het leek erop of de mensen vroeger eerder oud waren. Dat kwam tot uitdrukking in de leefwijze en in de kleding van oudere mensen. Ze woonden in huis bij een van de kinderen en deden dan klusjeswerk als breien en aardappelen schillen. Ze droegen ook kleren waar meer traditie vanaf straalde dan noodzaak.


14
Naast familie Houben woonde Pie van Mulken. Hij was de oudste zoon van de Mooder van de koster. Hij was getrouwd met Tine Coumans. We hadden er weinig omgang mee. Het waren volwassen mensen.

Hiernaast stond een hoekhuis. Men vertelde dat er heel vroeger, voor 1900 het postkantoor was geweest. Je kon dat zien aan het verkleurde metselwerk waar de kantoorbrievenbus had gezeten. Het was diverse keren van bewoner verwisseld. Er woonde in onze tijd een familie Coumans (van de Puil) die later naar Australië emigreerde.

Aan de overkant van het plein, op de hoek van de Kruisstraat, woonde een slager, die Stijnen heette maar biej Kösche werd genoemd. We kwamen er nooit. Daarnaast een familie Wijnen. Ik meen een oude boer met zijn zoon. Dan was er de familie Kamps die, naar ons verteld werd, erg rijk zou zijn. Mensen die er binnen waren geweest kwamen niet uitverteld over het fantastische meubilair. Ze hadden een gevelsteen waar met de beginletters W.B.M.K. de namen van de bewoners aangegeven werd. Van die letters maakten wij: ”Wie Bemind Mijn Kind”. Dat had dan betrekking op de ongetrouwde dochter Greetje. Ze trouwde later toch met het raadslid Driessen.

Daarnaast woonde familie Houben-Alberti. Mijnheer Houben was een broer van boer Houben enkele huizen terug. Ze hadden vijf kinderen. Een jongen en vier meisjes. Twee van hun meisjes waren bevriend met Truus en Toos, twee van mijn zusjes. Mevrouw was ook een vriendin van mijn moeder. Mevrouw Houben, de Wiesvrouw en moeder gingen wel eens samen op stap. Ik meen achteraf dat het naar Maastricht was geweest. Mijnheer Houben had een eigenaardige spreekgewoonte. Hij begon iedere zin met een langgerekt: ”lch zek.” Hij was graan- en kunstmesthandelaar. Achter op het erf stonden loodsen waarin kunstmest opgeslagen was. Er stonden in kruisvorm hoge planken schuttingen. In ieder kwart van zon kruis lag een ander soort kunstmest opgeslagen. Je kon met een aanloop en met hard te lopen proberen over de kunstmest tot aan de hoogste top van de schutting te komen. De kalie of wat het dan was, kalfde, tot ergernis van de heer Houben, naar beneden en moest weer opgeschept en bijeengeveegd worden. Het zag er altijd erg schoon en opgeruimd uit.

De heer en mevrouw Houben hadden samen met de heer en mevrouw Janssen (de Wiesvrouw) en vader en moeder in de kerk vaste plaatsen gepacht. Het was de eerste bank achter de kerkmeestersbank. In het midden pad stonden links en rechts tegen de eerste bank de bidstoel van de burgemeester en de stoel van Dr. Govaert. Het vervelende was dat, als je een zitplaatsje wilde hebben en een beetje laat was, je de hele kerk moest doorlopen tot vooraan bij de eerste bank. Gelukkig hoefde ik dat niet zo vaak want als misdienaar mocht je door de sacristie naar binnen,



De kleding van een chique dame. (Grootmoeder van Rie)
14a
Omdat mijn zus Toos bevriend was met Rosa, de dochter van de burgemeester, gingen we daar wel eens naar toe. Ze woonden in een mooi huis. In hun tuin stond een rond wit prieeltje. Daar werd door een zus van mevrouw Bruysten die we tante Dora moesten noemen, thee geserveerd. Ze zag er altijd erg chique uit. Ze had een jurk tot op haar enkels en een zwart bandje om haar hals. Bij de burgemeester zag ik voor het eerst in mijn leven een echte film. De heer Bruysten had hem zelf gemaakt. Hij ging over de werkzaamheden en afgravingen op de Scharberg waar het Julianakanaal moest komen. Mevrouw Bruysten en de kinderen Rosa en Koos waren herkenbare personen. k Begreep toen maar niet hoe dat bewegende beeld uit het filmapparaat op het doek kon komen. Ik had naar een buis of leiding gezocht maar die waren er niet.



Het communieprentje van Rosa Bruijsten.
In Berg-Urmond was een familielid van familie Houben onderwijzeres. Op een bepaald moment waren daar te weinig leerlingen om de onderwijzersfunctie te handhaven. Mijn zusjes Truus en Toos gingen toen, samen met twee van de meisjes Houben, een tijdlang in Berg-Urmond naar school. Toen het gevaar van een eventueel ontslag geweken was, hoefden ze de dagelijkse fietstochtjes niet meer te maken.

Ongeveer het tegenovergestelde was mij persoonlijk overkomen. Ik was op 27 augustus zes jaar geworden. Ik kwam dus als zes jarige op 1 september op de eerste klas van de lagere school. Half september, dus na 14 dagen, kwam een schippersgezin met kennelijk twee oudere kinderen zich in het dorp vestigen. Het maximum aantal leerlingen was daarmee overschreden. Pierre Driessen, die even oud was, en ik moesten dan maar van school af en terug naar de bewaarschool. Vader probeerde het probleem op te lossen. Er was echter maar een jongensschool in het dorp. De zusters van de meisjesschool namen (gelukkig) geen jongens aan. In een andere plaats dan? We gingen vaker bij een ongetrouwde oom en tante in Roggel op vacantie. Ik zou daar de eerste klas kunnen doen. Bij de aangifte door mijn oom bleek daar de overgang naar een volgende klas met Pasen te gebeuren. Inspringen midden in een schooljaar was ook te moeilijk.
Het lukte gewoon niet. Ondanks alle moeite van vader bleef ik de eerste helper van zuster Dorethea op de kleuterschool en mocht ik heel veel klusjes opknappen.


15

Naast familie Houben woonde familie Visschers. Ze werden ”die van Heuts” genoemd waarschijnlijk naar een dominerende voorouder. Ze hadden o.a. een zoon Piet die wel eens met ons mocht spelen maar daar eigenlijk te klein voor was. Er kwam vaker een jongen uit Geleen op vakantie waar we dan mee speelden.

Dan kwam familie van Mulken. Die noemden we ”De mensen van het Withoes” waarschijnlijk omdat de gevel van het woonhuis wit geschilderd was. Hij was een tijdlang onze melkboer. Er werd door de bewoners van het plein, bij een of andere feestelijke gelegenheid, op het Wilhelminaplein een wagenspel opgevoerd. Boer van Mulken had daarin een hoofdrol.


16
Dan kwam, iets naar beneden richting Kelderstraat, ”Het Pittermenke”. Dit was de gemeentelijke gevangenis. Het leek een gewoon huis. Er was wel maar een deur en voor de ramen zaten tralies. We wisten precies wanneer er iemand gevangen zat. De gemeenteveldwachter, de boy Niks, (Niks was zijn familienaam) kwam s middags het middagmaal brengen. Je kon aan de handdoek, die aan het stuur van zijn fiets hing, zien dat er een bord ingeknoopt was. We renden dan achter hem aan, om aan de deur te kijken of we konden zien wie er in de gevangenis zat. Dat lukte natuurlijk niet. Maar meestal wisten we toch wel wie het was. De misdaad was bijna altijd ”openbare dronkenschap”. En daar kwamen maar een paar mensen die je kende voor in aanmerking. Het bleef wel een geheimzinnig gebouw waar we nooit speelden en nooit binnen kwamen.

Schuin aan de overkant van het Pittermenke, woonden, achter een poort die altijd gesloten was en waar een kroetwusj tegen onweer hing, onze buren van de rechterkant. Het huis lag weer, zoals in veel Maasdorpen, met de smalle gevel naar de straatkant. Het waren weer twee huizen achter elkaar. Langs beide huizen liep een verhoogde dorpel die de mestvaalt afsloot. Het eerste huis was het huis van de ”Ba en de Mem”. In het achterhuis woonden, zoals ons verteld werd, erg oude, arme en zonderlinge mensen. Moeder ging er wel eens naar toe. Ik ben er nooit durven komen.
Bij de Ba en de Mem was nog een ongetrouwde zoon Geurt in huis. Er was beneden een kamerkeuken met in het midden een groot oud fornuis. Onder het raam een houten bank en daar voor, ook met de zijkant voor het fornuis, een grote houten tafel. Aan de voorkant was een zo goed als lege kamer, er waren geen tafel of stoelen. Het was er erg donker omdat de blinden altijd dicht waren. Onbegrijpelijk dat in zon betrekkelijk klein huis toch een aantal kinderen konden opgroeien.
Er was een dochter die met kapper Frans Maassen, getrouwd was. Een zoon Arthur die aannemer was in Geleen. Een andere broer van Geurt, Willem, bracht, met een platte kar met paard, voor een brouwerij bier rond.. Zef was timmerman en zijn vrouw verkocht hoeden. En Sjang had als buurman van zijn ouders, een schrijnmakerij. In de spreektaal hadden ze allemaal na hun voornaam het toevoegsel ”van Deumke”. Een dominerende voorvader heette waarschijnlijk Dominicus.


17
Bij Sjang, de buurman van Geurt, hadden ze drie kinderen. Harie, Lieske en Tjeu.
Met Harie speelden we veel. Van hem kreeg ik 's morgens op de dag dat ik mijn eerste communie deed, een pepermuntje. Het gevolg was dat ik naar de kapelaan ging vragen of ik nu toch de communie mocht doen. Moeder vond het wel goed, maar toch? Het mocht in ieder geval.
Harie was ook, achterstevoren zittend, met zijn voeten trappelend, de motor van mijn zeepkist. Hij speelde ook met ons in de gats. Bij zijn moeder ging ik wel eens een boterham vragen als we thuis weer iets te eten kregen wat ik niet beliefde. Het lukte helaas niet altijd.

Geurt
Veel contact hadden we met Geurt. Toen de Mem overleden was heette hij eerst Geurt van de Mem maar later werd dat ook Geurt van Deumke. We kwamen er toch wel vaak. Onder een afdak stond een hele grote slijpsteen die, als je hem ronddraaide, omdat hij door een bakje met water ging, altijd vanzelf nat werd. Hij had o.a. het onderhoud van de waterput. Als de emmer stuk was kocht hij een nieuwe. Op een houten balk van de omlijsting hing dan een briefje dat je iets moest betalen. Ook verzorgde hij de verwarming van de kerk. We gingen op zaterdagavond vaker mee om in de kelder onder de sacristie de kolenverwarming op te stoken.

Tussen hun huis en ons huis was een klein steegje. Hij had ons verteld dat hij iedere avond stenen mee naar boven nam, om, als er in het steegje katten waren die al te luidruchtig hun avondspel aankondigden, te kunnen verjagen. Wij imiteerden de katten en hoorden, als de imitatie lukte, met veel plezier de stenen naar beneden komen.

Hij kon heel interessante verhalen vertellen over de tijd toen hij in Duitsland in ”de brikken” werkte en bij het oogsten van de bieten hielp. Hij ging dan te voet naar het station van Spaubeek en verder met de trein naar Duitsland en dan weer te voet naar het werkterrein. Er heerste toen een verschrikkelijke armoede. Hun aardappels, die ze bij de zoveelste biels van de treinrails verstopt hadden, werden gestolen. Zelfs de voering werd uit hun jasjes geknipt om er een andere nog nuttiger bestemming aan te geven. Laat in de herfst kwamen ze dan terug en begon het dorpsleven weer.


18
Er was thuis allang sprake van, dat we ergens anders zouden gaan wonen. Het huis was toch wel oud en miste ook wel het nodige comfort. Vader had van Harie Vossen een stuk weiland gekocht dat, vanwege het kantoor centraal in het dorp moest liggen. Een vriend van vader, de heer Bossink, die gemeenteopzichter was, maakte het bestek en de tekening. Er gingen heel wat besprekingen aan vooraf en vader en moeder gingen in de omgeving op veel plaatsen kijken. Er waren ook noodzakelijke voorwaarden en wensen. Er moest kantoorruimte zijn. Er moesten vijf slaapkamers komen en een grote badkamer. En moeder wilde persé een grote erker.
In café Vossen was de openbare aanbesteding. Aannemer Gorissen uit Stein was de laagste inschrijver. Aan hem werd de bouw gegund. Hij bleek echter een berekeningsfout gemaakt te hebben zodat hij kwam vragen of hij zich mocht terug trekken. Sprekend voor de sfeer van die tijd was, dat zoiets mocht.
De heer Schutjens uit Geleen was de op een na laagste inschrijver. Aan hem werd toen de bouw gegund. Volgens de heer Schutjens was ons nieuwe huis voor hem het eerste huis dat op een bovenverdieping waterleiding kreeg.
In januari 1938 was ons huis klaar en konden we gaan verhuizen naar ons nieuwe huis: ”Mauritsweg 18, thans Valderstraat”.
In januari 1938 was ons huis klaar en konden we
gaan verhuizen naar ons nieuwe huis: ”Mauritsweg 18,
thans Valderstraat”.
Alles werd anders. Het huis en de straat was anders, maar ook het plein met de put was ineens niet meer van ons.
Ook de gats niet. Na het dienen van een H. Mis ging ik via het kerkpad nog wel eens kijken. Maar ook daar was het anders. Het leek wel of zelfs de struiken veranderd waren. En waar waren mijn vriendjes ? Waar was Jeanny? Waar was Sjeng Tjeu en Harie? Ik geloof niet dat andere kinderen daar zo zouden kunnen spelen zoals wij deden. Toen kort daarna ook nog een nieuwe school kwam met een dagelijkse fietstocht naar Sittard toen veranderde toch wel erg veel. Toen kwam een nieuwe tijd en werd dit TIJDSBEELD herinnering.



Lezing: Probus Westelijke Mijnstreek 17 augustus 2000
Fotokopieën ontleend aan: t.o. blz 1a. 6 en 16 Stein in oude ansichten van A.J. Munsters M.S.C.
t.o. blz. 4. 7, en 10 Stein in oude ansichten deel 2 van A.J. Munsters M.S.C.
t.o. blz. 14a Stein een achterland werd bruggehoofd van P. Dr. Remigius Dieteren OFM en Drs. J.F.R. Rhilips.



Amice Leo,

Jouw TIJDSBEELD uit het Stem van de dertiger jaren van de voorbije eeuw heb ik met grote interesse gelezen. Het heeft heel wat mooie jeugdherinneringen in me opgeroepen. Met mijn vader fietste ik in die jaren vaak naar Stein om ”oppe berg” (het Wilhelminaplein) de ”paat” te gaan bezoeken. De paat was de moeder van mijn vader en mijn peettante. Zoals je weet was ik dan ook die jongen uit Geleen met wie jullie vaak speelden (bladzijde 15).

Ik waardeer het zeer dat je elders in je boek die mooie foto van mijn grootmoeder hebt afgedrukt. De betreffende foto is door mijn vader gemaakt in de wei achter de woning aan het Wilhelminaplein. Ik kan me dat nog als de dag van vandaag herinneren.

Mijn grootmoeder heette met haar meisjesnaam Margaretha Heuts (uitgesproken ”Huits”). Zij werd te Stein geboren op 3 september 1859 en trouwde daar op 18 november 1891 met de in Stein op 7 augustus 1855 geboren Willem Op den Camp.

De familie Heuts was een gegoede familie die veel landerijen bezat, terwijl de familie Op den Camp in de ogen van de Steindenaren maar gewoon volk was. Mijn grootvader was metselaar. Zo kwam het dat de kinderen uit het huwelijk van mijn grootouders ”die van Heuts” genoemd werden. Ik weet dat mijn vader in zijn jeugdjaren zelfs meende dat hij Heuts met zijn achternaam heette. Hij werd altijd ”Peter van Heuts” genoemd.

Een zus van mijn vader, An, was getrouwd met Harie Visschers. Zij gingen in het ouderlijk huis aan het Wilhelminaplein wonen en zodoende bleef men de bewoners van dat huis ”die van Heuts” noemen. Mijn grootmoeder, de paat, is in dat huis gestorven op 6 mei 1936 aan maagkanker. Ik kan me haar ziekbed nog goed herinneren. Mijn grootvader stierf al voordat ik geboren werd, n.l. op 12 juni 1924.

Zo, Leo, nu heb ik je ook verklaard waarom de familie Visschers ”die van Heuts” genoemd werden. Zij hadden inderdaad een zoon, mijn neef Pie (niet: Piet) die enige jaren jonger dan jij en ik is.

Het doet me plezier je deze aanvulling op je schitterend TIJDSBEELD te hebben kunnen geven.

Geleen, 8 september 2000.

Met vriendelijke groeten,
Wilt u contact , klik dan hier en vul het formulier in.